Schoolboeken kunnen leesbaarder

HOE EFFECTIEF ZIJN STUDIETEKSTEN?

Door: Gerdineke van Silfhout, Universiteit Utrecht & Stichting Lezen

Een pleidooi, dat is de inhoud van dit blog. Waarvoor? Voor meer samenwerking tussen inhoudsdeskundigen én taalexperts bij het ontwikkelen van onderwijsmateriaal. Dat is noodzakelijk, willen we leerlingen optimaal begrijpelijk lesmateriaal voorschotelen. En dát gebeurt nog lang niet altijd!

Maar hoe schrijf je een begrijpelijke studietekst? Dat is een taak voor tekstschrijvers, zegt u. Maar niet alleen voor tekstschrijvers! Te vaak staan onderzoekers langs de zijlijn, terwijl zij een grote bijdrage kunnen leveren aan de tekstkwaliteit van onderwijsmateriaal. Hoe? Door empirisch na te gaan of veelgebruikte schrijfadviezen, zoals ‘gebruik korte zinnen’, ‘vermijd samengestelde zinnen’ en ‘schrijf levendig’, leerlingen werkelijk helpen. Met name voor leerlingen van lagere schoolniveaus worden teksten rigoureus aangepast: ingekorte zinnen, elke zin op een nieuwe regel, toegevoegde personages en anekdotes – om de tekst minder saai te maken – enz. Maar helpt het de leerlingen werkelijk bij het begrijpen van hun studieteksten?

Onder de loep
Nee, laat mijn onderzoek uitgevoerd vanuit de Universiteit Utrecht zien. Laat ik enkele veelgebruikte tekstkenmerken onder de loep nemen. Tekstschrijvers voegen in geschiedenisteksten van het vmbo vaak personages toe die de te-leren informatie beleven, ondergaan of vertellen, zoals in onderstaande fragmenten.

Gerda is op bezoek bij haar oom Piet. Hij weet veel van geschiedenis. ‘Op school hebben we geleerd dat de mensen heel vroeger leefden van jagen en verzamelen’, zegt Gerda. ‘Dat klopt’, zegt oom Piet, ‘maar dat veranderde langzaam. De mensen gingen namelijk dieren houden, dat noemen we veeteelt. (…)

Dergelijke teksten zouden moeten leiden tot meer waardering en grotere betrokkenheid, waardoor lezers tot een dieper begrip van de tekst komen. Althans, dat is de veronderstelling. Maar niets blijkt minder waar! In een experimenteel onderzoek bood ik vmbo-leerlingen een tekst over Rembrandt en de Nachtwacht in verschillende versies aan. Leerlingen lazen een zakelijk geschreven variant waarin enkel de te-leren informatie werd aangeboden óf een verhalende variant waarin Kees met zijn vader in een cabrio naar het vernieuwde Rijksmuseum gaat en daar op zijn smartphone allerlei informatie over Rembrandt en de Nachtwacht opzoekt. Wat blijkt: de zakelijke variant leidt tot hogere begripsscores dan de verhalende variant. Opvallend detail: van de verhalende variant onthielden leerlingen 80 procent van de irrelevante informatie – over cabrio’s en smartphones en zo – tegenover 40 procent van de te-leren informatie.

Gefragmenteerde teksten
In een ander onderzoek laat ik zien dat vmbo’ers helemaal niet profiteren van een tekst waarbij elke korte zin op een nieuwe regel wordt gezet. Dat is echter wél wat we vinden in lees- en lesmateriaal voor zwakke lezers en lezers op het vmbo.

Elke zin op een nieuwe regel.
Dat zou zwakke lezers helpen.
Daarom presenteren we teksten zo.
En houden we het overzichtelijk.
Toch helpt het leerlingen niet.
Dat blijkt uit onderzoek.

In een experiment laat ik zien dat leerlingen na het lezen van een gefragmenteerde tekst niet hoger scoren op begripstoetsen dan wanneer ze een doorlopend gepresenteerde variant lezen. Mijn oogbewegingsonderzoek toont zelfs aan dat een gefragmenteerde lay-out het leesproces erg verstoort: elke keer wanneer leerlingen een zin lezen die op een nieuwe regel begint, hebben zij tot halverwege die zin meer verwerkingstijd nodig dan wanneer ze een zin in een doorlopende lay-out lezen.

Een laatste voorbeeld. ‘Houd de zinnen kort’, noemde ik net al als voorbeeld van een veelgebruikt schrijfadvies. Maar dat advies werkt ook niet altijd. In een experimenteel onderzoek uitgevoerd onder vmbo’ers, havisten en vwo’ers vind ik namelijk dat ze beter presteren op tekstbegripvragen wanneer ze studieteksten met verbindingswoorden lezen dan wanneer ze teksten zonder verbindingswoorden lezen. Toch maken verbindingswoorden zoals omdat, doordat, want en waarop zinnen dubbel zo lang. Blijkbaar speelt lengte een minder belangrijke rol, en is vooral de extra informatie die het verbindingswoord geeft, cruciaal voor een goed tekstbegrip.

Kortom, de conclusie is volgens mij duidelijk te trekken: leerlingen in het voortgezet onderwijs hebben het meeste profijt van taaldeskundigen en onderzoekers die nagaan welke tekstkenmerken hun lesmateriaal begrijpelijk maken, en van docenten, schoolboekschrijvers en toetsmakers die deze kennis gebruiken bij het ontwikkelen van hun studie- en toetsmateriaal.

Meer horen over Gerdinekes bevindingen? Op 1 november pitcht zij haar onderzoek op een pitchmiddag over onderwijs in Felix Meritis, Amsterdam. Toegang is gratis, maar meld je wel aan via info@macademics.nl.